maandag 20 november 2017
menu click

Uitleg

Hoe betrek ik laagtaalvaardige peuters en kleuters actief en verbaal in een gesprek? Dit was de vraag die we hoorden van VVE-leerkrachten en studenten.

We hebben samen met professionals uit het veld een aanpak ontwikkeld voor ouders en professionals en die onderzocht *.

  • Waarom hebben we die vraag opgepakt?
  • Wie hebben daaraan gewerkt en hoe?
  • Wat zijn de uitkomsten van het onderzoek?

Dit project is van september 2011 tot november 2013 uitgevoerd In het kader van de subsidieregeling RAAK-PUBLIEK. Deze subsidie is door het ministerie van OCW beschikbaar gesteld aan Stichting Innovatie Alliantie (SIA) voor de stimulering van onderzoeks- en innovatieprojecten. De RAAK-regeling PUBLIEK is gericht op het stimuleren van samenwerking en kennisuitwisseling tussen hogescholen en professionals uit de publieke sector. Doel is het creëren van ruimte voor praktische innovaties die direct aansluiten op de dienstverlening door de sector.

Aanleiding


Er zijn al diverse methodes voor Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE). Waarom moet er dan nog meer ontwikkeld worden? We weten nu toch wel wat werkt en wat niet?
Professionals in peuterspeelgroepen en kleutergroepen hebben behoefte aan meer handvatten om juist de laagtaalvaardige kinderen aan de praat te krijgen. Blijkbaar geven methoden daar onvoldoende concrete aanwijzingen voor.
Onderbouwing van de aanleiding >>>>

Deelnemers en werkwijze


Hoe is er in dit project gewerkt? Hoe heeft de praktijk geparticipeerd in dit project? Welke onderzoekers waren erbij betrokken?
Het project heeft de praktijkervaringen van professionals gecombineerd met recente wetenschappelijke inzichten. In leerwerkgemeenschappen is samen gezocht naar relevante en toepasbare uitwerkingen.

Uitkomsten

De aanpakken voor professionals en voor ouders zijn praktische producten van dit project. Blijkt uit het onderzoek dat zo’n aanpak werkt?
Analyses van de gesprekken laten zien dat professionals hun gesprekken anders kunnen inrichten en dat kinderen zich laten verleiden tot communicatie.
Onderzoeksresultaten >>>>

Aanleiding project

De VVE-professionals staan voor de taak om met name de taalontwikkeling van de kinderen zo krachtig mogelijk te stimuleren. Ondanks de beschikbare methodes voor VVE merken ze dat ze er onvoldoende in slagen om met juist de laagtaalvaardige kinderen tot echte interactie te komen terwijl die interactie bepalend is voor de taal- en denkontwikkeling van de kinderen en hun succes in het onderwijs. Intensieve training om interactievaardigheden te verwerven, biedt nog geen complete oplossing.

Dat uitdagende interactie niet goed lukt met laagtaalvaardige kinderen is een veelgehoorde reactie van ervaren leerkrachten die deelnemen aan intensieve trainingen, gericht op interactievaardigheden voor taal- en denkontwikkeling. (Deze trainingen worden verzorgt door de Marnix Academie, vanuit het lectoraat Interactie en taalbeleid.) Diezelfde reactie krijgen docenten van de Marnix Academie te horen van pabo-studenten, die bij hen zo’n interactievaardighedentraining volgen in het kader van de minor VVE, de minor Nederlands of de minor Kansen voor taalontwikkeling. Leerkrachten en studenten melden dat ze er met de training wel in slagen om hun interactie te verbeteren met kinderen die al wat taalvaardiger zijn, maar dat het hen niet goed lukt met kinderen die nog betrekkelijk weinig Nederlands beheersen. “Hoe kunnen we communiceren met juist deze groep leerlingen?”, is de concrete vraag.
Professionals lopen tegen de grenzen van de eigen competenties aan. In de huidige praktijk nemen leerkrachten, pedagogisch medewerkers en studenten dan vaak genoegen met een ‘stille periode’ van de kinderen. Die periode duurt nodeloos lang, omdat het deze professionals ontbreekt aan werkwijzen om de kinderen eerder tot verbale communicatie uit te dagen.

VVE-professionals die ‘weten’ dat interactie van belang is, kunnen die niet ‘vanzelf’ ook daadwerkelijk realiseren. Onderzoek laat zien dat er in peuterspeelzalen nog weinig echte interactie plaatsvindt (de Haan e.a. 2010). Ook is er grote variatie in de mate waarin pedagogisch medewerkers er in slagen om levendige en langere gesprekken te voeren met peuters (De Haan e.a.2009).Om de interactievaardigheden echt te verwerven, hebben pedagogisch medewerkers en leerkrachten ondersteuning nodig in de vorm van intensieve training. Die behoefte van de professionals om hun interactievaardigheden te vergroten, wordt onderschreven door de wijkwelzijnsorganisaties en de schoolbesturen.

Tot nu toe hebben de VVE-professionals nog niet op grote schaal aan intensieve training van interactievaardigheden voor taal- en denkontwikkeling deelgenomen, dus schaalvergroting ervan zou een stap in de goede richting zijn. Maar de zojuist geschetste reacties van deelnemers aan trainingen van interactievaardigheden laten zien, dat VVE-professionals dit probleem nog niet kunnen oplossen met hulp van de huidige trainingen. Daarin ontbreekt het aan werkwijzen die specifiek de laagtaalvaardige jonge kinderen uitdagen tot interactie.

Voor een systemische verbetering van de kansen voor taalzwakke jonge kinderen, is niet alleen de VVE maar ook de thuissituatie van de kinderen een aangrijpingspunt. VVE-professionals zien het taliger maken van de thuisomgeving als belangrijke bijdrage aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de doorgaande lijn in de ontwikkeling van de kinderen. Ook de wijkwelzijnsorganisaties (WWO) en besturen van basisscholen onderschrijven het grote belang van zo’n systemische aanpak. Reeds ontwikkelde werkwijzen voor ouders vergen extra voorzieningen of activiteiten, waar ouders in de praktijk weinig gebruik van maken. In plaats daarvan ontwerpt dit project een nieuwe aanpak die ouders gemakkelijk bij hun dagelijkse bezigheden kunnen toepassen en die een natuurlijke parallel vormt met de interactieve aanpak van de VVE-professionals.

Centrale onderzoeksvraag

Hoe kan een rijke, uitdagende taalomgeving voor laagtaalvaardige jonge kinderen gerealiseerd worden? Oftewel: Op welke wijze kunnen pedagogisch medewerkers en leerkrachten in voor- en vroegschool kwalitatief hoogwaardiger interactie met deze kinderen scheppen en op welke wijze kunnen ouders thuis hun dagelijks handelen taliger maken?
Deze vraag is geconcretiseerd in deelvragen:

  1. Welke nieuwe werkwijzen zijn geschikt, uitvoerbaar en succesvol voor pedagogisch medewerkers, leerkrachten en studenten om uitdagende interactie te realiseren met laagtaalvaardige jonge kinderen?
  2. Welke nieuwe werkwijzen zijn geschikt, uitvoerbaar en succesvol voor ouders om op eenvoudige wijze de thuissituatie van deze kinderen taliger maken?

Via deze deelvragen bereikt het project haar doelstellingen:

  • dat pedagogisch medewerkers en leerkrachten uitdagende interactie realiseren met laagtaalvaardige jonge kinderen,
  • dat ouders thuis een taliger omgeving voor hun kinderen creëren,
  • dat professionals en ouders de benodigde ondersteuning krijgen om zich de werkwijzen eigen te maken,
  • dat de werkwijzen goed geborgd worden in de instellingen.

Met deze geïntegreerde aanpak vergroten we in een vroeg stadium de kansen voor taal- en denkontwikkeling van jonge kinderen. 

Deelnemers en werkwijze

Wie hebben aan het project meegewerkt? En hoe is het project opgezet?

Deelnemers

Binnenkring

Aan dit project hebben 24 professionals meegedaan van instellingen in Utrecht en Zwijndrecht.
Utrecht: CBS De Piramide, de Startgroep van de Parkschool, Stichting PCOU en WWO Spelenderwijs Utrecht;
Zwijndrecht: Peuterspeelgroepen van SKZ Dribbel, Doerak en Margrietje, Stichting PCOAZ Margrietschool en de Kim, Stichting 3 Primair de Twee Wieken.

Buitenkring

De werkwijzen die dit project heeft opgeleverd zijn door een buitenkring van leerkrachten en pedagogisch medewerkers in hun eigen praktijk beproefd. Zij hebben kritisch positieve feedback gegeven waarmee de werkwijzen aangescherpt konden worden.
Dank aan de coördinatoren van Spelenderwijs Utrecht en PCOU, professionals van de voor- en Vroegschool van CBS de Schakel, professionals van de voorschool van de Boemerang, van CBS de Parkschool en de voorschool van de Mattheüs school

Onderzoekers

De Marnix Academie heeft de onderzoekers geleverd. Eefje van der Zalm, van het Marnix Onderwijscentrum, heeft als projectleider dit project inhoudelijk en organisatorisch aangestuurd en heeft als ontwikkelaar en onderzoeker gewerkt aan de aanpak voor professionals. Samen met Patricia van Keulen, Annette Bouwman, Grace Postma en Ada van Dalen (docenten van de Marnix Academie) zijn studenten begeleid en zijn filmmaterialen geanalyseerd. Akke de Blauw heeft als ontwikkelaar vooral gewerkt aan de aanpak voor de ouders. Resi Damhuis, lector Interactie en Taalbeleid, heeft het onderzoek begeleid en is betrokken geweest bij het ontwerpen van de aanpak.

Werkwijze van het project

De aanpakken zijn in dit project ontwikkeld en beproefd, door in leerwerkgemeenschappen in Utrecht en in Zwijndrecht een intensieve samenwerking tot stand te brengen tussen VVE-professionals (pedagogisch medewerkers, leerkrachten en coördinatoren) enerzijds en docent-onderzoekers, docenten en studenten van de hogeschool anderzijds. In deze leerwerkgemeenschappen bouwden de betrokkenen een onderlinge relatie op, waardoor niet alleen expliciete kennis gedeeld werd, maar ook impliciete kennis die deelnemers in hun ervaring hebben opgebouwd.

De leerwerkgemeenschappen zijn ondersteund door twee consortia. De consortiumleden vanuit het werkveld waren de directies van de vijf basisscholen met hun schoolbesturen en vier voorscholen met hun wijkwelzijnsorganisaties (WWO), in de stad Utrecht en in Zwijndrecht. In de binnenkring participeerden leerkrachten, pedagogisch medewerkers, coördinatoren basisschool en coördinatoren WWO. Het project is in de Marnix Academie ondergebracht bij het lectoraat Interactie en taalbeleid. Vanuit deze pabo namen de lector en docent-onderzoekers deel aan de leerwerkgemeenschappen, en vier docenten en tien studenten uit de minoren VVE, Nederlands en Kansen voor taalontwikkeling. Bovendien heeft een specialist ‘jonge kind’ van de Marnix Academie geadviseerd.

Netwerken

In de consortia zijn nieuwe netwerken opgebouwd op het niveau van de werkvloer én op het niveau van de instellingen. De Voor- en Vroegschoolse Educatie beoogt een doorgaande lijn tussen voor- en vroegschool. Die is reeds geslaagd in keuze en gebruik van methodes. Maar verdere feitelijke samenwerking komt vaak moeizaam tot stand, o.a. doordat verschillende instellingen verantwoordelijk zijn, nl. schoolbestuur versus wijkwelzijnsorganisatie (Ledoux, 2008). Dit project zorgt voor concrete samenwerkingsbelangen, die de weg banen voor duurzamer samenwerking tussen de professionals van deze instellingen. Waar de Marnix Academie als pabo gewend is met basisscholen samen te werken (partnerscholen), ligt hier een vernieuwing in de samenwerking met de professionals van de voorscholen en hun WWO’s.

Om een doorlopende lijn op het gebied van interactie te realiseren, zien pedagogisch medewerkers en kleuterleerkrachten het meeste heil in directe onderlinge samenwerking. Maar het ontbreekt hen aan facilitering en inhoudelijke ondersteuning daarbij. Deze behoefte wordt door WWO’s en schoolbesturen ook benadrukt. Daarom is op de werkvloer per regio een leerwerkgemeenschap VVE-interactie gevormd. Daarin werken leerkrachten uit de kleutergroepen van de basisscholen én de pedagogisch medewerkers van de voorscholen direct met elkaar samen: één in de stad Utrecht, één in de regio Zwijndrecht. In deze leerwerkgemeenschappen participeerden verder docent-onderzoekers, lector, docenten en studenten van de Marnix Academie. Zij zorgden voor inhoudelijke ondersteuning.

Tussen de instellingen is door de coördinatoren uit schoolbesturen en WWO’s direct samengewerkt in een leerwerkgemeenschap Thuisomgeving. Zo heet dit project een concrete uitwerking geleverd van het Utrechtse voornemen van WWO’s en schoolbesturen om intensiever met elkaar te gaan samenwerken, over de grenzen tussen instellingen en signatuur heen. Lector en docent-onderzoekers van de Marnix Academie vormden de overige leden van deze leerwerkgemeenschap.

Naast de leerwerkgemeenschappen, die vanuit het consortium gevuld zijn, fungeerde om de leerwerkgemeenschappen heen een buitenkring: VVE-professionals uit Utrecht. De buitenkring heeft vooral bijgedragen aan de bijstelling van de conceptwerkwijze.

Onderzoeksresultaten

Hoe is het onderzoek opgezet? Wat zijn de uitkomsten ervan?

Er hebben 24 professionals meegewerkt aan dit project. Samen met de professionals hebben we tijdens vier bijeenkomsten vanuit de theorie en de praktijk gewerkt aan het ontwerpen van een aanpak.
In het eerste projectjaar hebben we data verzameld in de vorm van filmmateriaal. Voorafgaande aan de start van de trainingen zijn professionals gefilmd in hun gesprekken met kinderen. Vervolgens zijn de professionals in hun groep de ontworpen aanpak gaan uitproberen. In twee sessies zijn de professionals daarbij gefilmd en hebben ze specifieke feedback gekregen.

Fasen in het onderzoek

 A. Interactiewerkwijzen VVE  B. Thuisomgeving

fase 1a:

- ontwerpen eerste concept-werkwijzen als startpunt door projectmedewerkers             

fase 1b:

- ontwerpen eerste concept-werkwijze voor ouders door projectmedewerkers    

fase 2a:

- cycli van aanpassen, uitvoeren, reflectie in leerwerkgemeenschappen
   VVE-interactie
- formatieve evaluatie
- bijgestelde werkwijzen 

 fase 2b:

- ontwerpen aanpak voor ouders in leerwerkgemeenschap Thuisomgeving
- aanpassen, uitvoeren reflectie in leerwerkgemeenschap en met ouders
- formatieve evaluatie
- bijgestelde werkwijze

fase 3a:

- effectiviteit: analyses van interactiegedrag VVE-professionals en kinderen

 

Het project heeft ontwerponderzoek uitgevoerd, inclusief formatieve en kleinschalige, summatieve evaluaties.
Dit onderzoek laat zich karakteriseren als design research (Gravemeijer & Cobb 2006) of ontwerponderzoek (Van den Berg & Kouwenhoven 2008): “een systematische benadering van (onderwijs)problemen, waarin door middel van geïntegreerde ontwerp- en onderzoeksactiviteiten een tweeledig doel wordt nagestreefd: praktijkverbetering en kennisgroei (Van den Akker 1999)”. Deze methode is van belang voor de stakeholders in de praktijk, in de zin van praktisch bruikbare opbrengsten. Tegelijk heeft de methode wetenschappelijk belang, omdat de nieuwe werkwijzen empirisch beproefd worden in de volle praktijk van het onderwijs en daarmee een bijdrage leveren aan theorievorming: ‘studying learning in context’ (Barab & Squire, 2004; Van den Berg & Kouwenhoven, 2008).
Er is geen sprake van een simpele ‘trial and error’-werkwijze, maar van een gefundeerde, systematische aanpak van onderwijsvernieuwing in de reële context met het doel van kennisverhoging. Voor bijvoorbeeld ontwikkeling en onderzoek rond taalgericht reken-wiskundeonderwijs is gebleken dat design research een geschikte methodologische aanpak is (Hajer, van Eerde & de Bruijn 2009). Het ontwerponderzoek heeft in leerwerkgemeenschappen plaats gevonden, waaraan formatieve evaluatie gekoppeld is ten behoeve van bijstelling van de werkwijzen en kleinschalige summatieve evaluatie die inzicht biedt in de effecten op interactiemogelijkheden.

Uitkomsten

Op dit moment zijn de analyses nog niet helemaal afgerond. Zodra dat het geval is worden de uitkomsten op deze website gepubliceerd.